Nederlands Thuis

> Home
        • meer informatie

        • leerboek
        • werkboek
        • programma op CD
        • begeleidingsdeel

        • achtergrond

        • nieuws
        • studies


        • site taalvaardigheden
        • Albert Sickler bv
        • Baroniecollege
        • links


Onderzoek

Relevante studies


Inleiding
Op deze site wordt belangrijke research vermeld in het kader van inburgering van oudkomers. Het gaat om in eerste instantie om sociologisch onderzoek. Meer in het bijzonder treft u informatie aan over:

Cijferrapport allochtone ouderen, Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP, werkdocument 105, 2004)
Onderzoek naar cursusbehoefte oudkomers, studie Taskforce Inburgering, 2002
Kwalitatieve rapportage monitor oudkomers, resultaten eerste helft 2003, Significant
Vrouwen in de inburgering, december 2003, E-quality
Onze conclusies


Omdat er met name in grote steden een snel veranderingsproces plaatsvindt, wordt er de laatste jaren veel onderzoek gedaan naar de problemen rond integratie en inburgering.
Het gaat dan in eerste instantie om onderzoek naar het veranderingsproces zelf. Men wil de veranderingen statistisch in kaart brengen. We geven steeds een kort uittreksel van het betreffende onderzoek. En bovendien voorzien we ieder onderzoek van kritische kanttekeningen. Die kanttekeningen hebben vooral te maken met het feit dat statistisch onderzoek ook maskerend kan zijn; in de percentages en in de grote getallen kunnen specifieke patronen verborgen raken. Dat kan vooral veroorzaakt worden door steekproeven te nemen bij populaties die in feite niet homogeen zijn.

Een bekend voorbeeld ter illustratie: de gemiddelde leeftijd in een kraamvrouwenkliniek komt niet overeen met de leeftijden van de personen die zich in die kliniek bevinden! Dat komt omdat er 2 populaties bij elkaar genomen worden die men niet bij elkaar mag nemen, namelijk de groep "pasgeborenen" (0 jaar) en de groep vrouwen.

Maar het kan ook zijn dat percentages als een soort wetmatigheid worden gepresenteerd terwijl de steekproefgrootte veel te klein is om dergelijke uitspraken te doen.



Sociologisch onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau
Als eerste bron voor sociologisch onderzoek noemen we het SCP, het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dit bureau verricht sociologisch onderzoek om daarmee een bijdrage te leveren aan het kiezen van beleidsdoelen en voor het geven van informatie aan allerlei departementen.
De minister van WVS is verantwoordelijk voor het beleid van dit bureau. In maart 2004 verscheen "Cijferrapport allochtone ouderen" (werkdocument 105, Roelof Schellingerhout). Dit rapport houdt zich met name met de oudkomer bezig. Het gaat om onderzoek bij Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, Antilliaanse en Molukse 55+'ers, met name bij de "eerste generatie". Op dit moment is de Molukse groep is het langst in Nederland (iets meer dan 50 jaar). We merken hier op voorhand op dat door het trekken van een duidelijke leeftijdgrens het begrip "oudkomer" in dezestudie tenminste duidelijk gedefinieerd is. In andere studies wordt dat niet gedaan, zodat er tenslotte vaak tegenstrijdige resultaten worden geformuleerd.



terug naar begin

Aantallen
Allereerst is in de studie van SCP gekeken naar de grootte van de groep. Deze wordt in de nu volgende tabel gegeven:

bevolkingsgroep absoluut % 1ste generatie % van de totale ouderen bevolking
niet westers totaal, waarvan 116.445 97.1 2.9
Turken 26.164 99.8 0.6
Marokkanen 22.953 100.00 0.6
Surinamers 32.614 95.7 0.8
Antillianen 9.162 96.8 0.2
Overig niet westers 25.552 93.5 0.6
Totale ouderen bevolking: autocht. + allocht. 4.031.644


In dit overzicht van elders gepubliceerde studies, zullen we ons vaak richten op de groepen Turken en Marokkanen. Het is opvallend dat deze groepen beide ca. 0.6% van de totale bevolking uitmaken. Getalsmatig is de groep Turken groter dan de groep Marokkanen.
In dit overzicht treft men ook prognoses aan voor de jaren 2005, 2010 en 2015. Men ziet dan dat er per periode van een 0.1 % groei sprake zou zijn. Het is de vraag of deze laatste prognoses voor het maken van beleid rond inburgering van belang zijn. Immers deze groei zal voornamelijk veroorzaakt worden door een aanwas vanuit de reeds aanwezige mensen en niet als gevolg van immigratie. Naarmate de groep groeit zal het beeld onduidelijker worden, omdat er steeds meer een mix zal ontstaan van personen die wel en personen die niet het Nederlands beheersen.
Het is ook duidelijk dat voor personen die het Nederlands niet beheersen de situatie steeds moeilijker wordt. Naarmate men ouder wordt, dreigt opname in een ziekenhuis. Met een volstrekt gebrek aan beheersing van het Nederlands zal dat voor velen een verschrikkelijke periode zijn.



terug naar begin

Uiteraard is er een andere leeftijdsverdeling bij deze groep (Turken en Marokkanen) dan bij de groep "totale bevolking". De groep is immers op een bepaald moment naar Nederland gekomen en is in die zin niet representatief voor "de totale groep Nederlanders". Ook de verdeling man/vrouw verschilt significant van de rest van de bevolking en wel omdat het in eerste instantie de mannen waren die naar Nederland zijn gekomen.

Nog een aantal korte opmerkingen:
- veel oudere mannen kiezen vaak jongere partners die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt;
- bij vooral de Marokkaanse groep is sprake van onvolledige gezinshereniging: veel Marokkaanse mannen hebben hun partner nooit over laten komen;
- veel Turkse en Marokkaanse ouderen wonen in bij de kinderen (met name geldt dit voor de groep vrouwen);
- er is een duidelijk verschil tussen de groep Surinaamse en Antilliaanse vrouwen en de groep Turkse en Marokkaanse vrouwen. Dat heeft te maken met het land van herkomst, het schoolsysteem, de cultuur, enz.



Opleiding en maatschappelijke positie
In het rapport wordt genoemd dat meer dan 80% van de groep Turkse en Marokkaanse ouderen geen opleiding heeft gevolgd en tevens dat dit meestal betekent dat men analfabeet is. De meeste Turkse en Marokkaanse ouderen zijn afkomstig uit plattelandsgebieden waar de mogelijkheid om onderwijs te volgen beperkt was (en nog vaak is). Het opleidingsniveau van de Surinaamse en Antilliaanse groep ouderen is hoger. Overigens geven deze resultaten treffend weer met welke groep de beleidsmakers in het bijzonder rekening mee moeten houden: de grote groep ouderen van vooral Turkse en Marokkaanse afkomst. Daarbij moet ook worden opgemerkt dat deze groep maatschappelijk gezien in het nauw is gedreven.

Van de groep 55 - 64- jarige Turkse en Marokkaanse mannen blijkt ruim de helft arbeidsongeschikt te zijn. De groep vrouwen heeft haast nooit werk gehad (bijvoorbeeld 90% van de groep Marokkaanse vrouwen heeft nog nooit werk gehad). Het laatst behaalde beroepsniveau is - zoals men mag verwachten - laag (werkzaam geweest in elementaire en lage beroepen). Dat dit alles zijn effect heeft op inkomen mag ook niet verbazen. De meeste Turkse en Marokkaanse huishoudens moeten rondkomen van een netto maandbedrag van 900 - 1100 euro (stand maart 2004). Boven de 1300 euro netto treft men vrijwel niemand meer aan.
Dat gegeven is met name interessant als het gaat om de overweging om een boete in te voeren bij het niet nakomen van de inburgeringsplicht.

Men zou verwachten dat deze boete positief zou werken bij het werven van deelnemers voor de cursus "Nederlands Thuis". Tot nu toe is de ervaring anders. Dat kan verschillende redenen hebben zoals:

- het duurt toch nog even;
- bij ons valt toch niets te halen;
- komt tijd komt raad.

Op dit punt treft men in de verschillende onderzoeken nog vrijwel geen informatie aan! Toch zal het voor het proces van inburgering van oudkomers van het grootste belang zijn om meer te weten wat de motieven zijn om wel of niet mee te doen, zeker als men weet dat er vanuit de overheid sancties (kunnen) komen!




terug naar begin

Cursusbehoefte oudkomers (Taskforce Inburgering)
In het voorafgaande werd reeds opgemerkt dat het onduidelijk is wat de specifieke beweegredenen zijn om al of niet aan inburgering te beginnen. Om toch meer zicht te krijgen op dit onderwerp werd door het bureau "Regioplan Onderzoek Advies en Informatie BV" in opdracht van de Taksforce Inburgering nader onderzoek uitgevoerd. Het rapport draagt als titel "Onderzoek naar de cursusbehoefte van oudkomers" (J. Klaver en M. Brink, mei 2002).
We zullen ons weer voornamelijk richten op de groep Turkse en Marokkaanse ouderen. Allereerst merken we op dat de groep oudkomers hier anders is gedefinieerd dan bij de studie van het Sociaal Planbureau. Voorts is belangrijk op te merken dat de onderzoekers van tevoren een indeling hebben gemaakt naar verschillende soorten gemeenten.
Allereerst wordt in het rapport nagegaan waarom men Nederlands zou willen leren. De antwoorden laten zich bijna raden:

- beter communiceren met buren, leerkrachten, winkelpersoneel, etc.
- beter communiceren met instanties, denk bijvoorbeeld aan de zorg



terug naar begin


In het rapport wordt verder een onderverdeling gemaakt tussen "laag opgeleid" en "hoger opgeleid (mavo of hoger)". Deze indeling is gevaarlijk zeker als we de resultaten afzetten tegen het voorafgaande onderzoek. Daar zagen we immers dat de groep 55+ vrouwen van bijvoorbeeld Marokkaanse afkomst in het geheel vrijwel geen onderwijs heeft genoten.
Men kan zich ook afvragen wat het voor deze groep betekent om vragen te beantwoorden als "vindt u het zinvol om in het Nederlands met instanties te kunnen communiceren?"
Er is natuurlijk een groot verschil in behoeftepatroon tussen de groep die al een opleiding heeft genoten en een groep die dat niet heeft. Uiteraard zullen de mensen uit de eerste groep kiezen voor een inburgeringscursus die te combineren valt met het uitoefenen van een beroep. In het onderzoek wordt ook aangegeven dat de groep Marokkaanse vrouwen een voorkeur heeft (79%) voor een ochtendcursus tot uiterlijk 11:30. Opnieuw is onduidelijk of dit zou gaan om een cursus buitenshuis, waarbij het immers bekend is dat de stap naar een cursusplaats elders voor deze groep moeilijk is.

Er is wel een tabel opgenomen waaruit blijkt dat 60% van de Marokkaanse groep liever in een buurthuis onderwijs heeft en 36% thuis. Bij de groep Turkse oudkomers liggen deze percentages op respectievelijk 50 en 54%. Overigens moeten we, gezien de geringe grootte van de groepen (n=50), vraagtekens zetten bij de significante van deze percentages. Het zou zeer interessant zijn om te weten wat de kenmerken zijn van de groep die kiest voor thuisonderwijs en wat die van de groep die kiest voor onderwijs in een buurthuis.

In beide gevallen geldt trouwens dat "Nederlands Thuis" uitstekend zou moeten functioneren. Daar wordt immers gemikt op onderwijs thuis (via leerling of vrijwilliger) of buurthuis (via vrijwilliger).

Als het gaat om duur en intensiteit wordt in het rapport aangeven dat er een voorkeur bestaat voor 3-4 dagdelen per week. Bijna 30% van de vrouwen wil niet meer dan 1- 2 dagdelen per week een taalcursus volgen. Overigens wordt er bij dit onderzoek dus impliciet van uitgegaan dat men in "dagdelen" zou studeren. Bij "Nederlands Thuis" gaan we uit van lesbijeenkomsten van ca. ½ uur op 3 dagen per week (dus ook met een begeleidingscomponent van ca. ½ uur). Daarnaast kan de cursist zijn eigen studie indelen.
In het onderzoek wordt verder ingegaan op de vraag of men bereid is mee te betalen aan de studie. De antwoorden wekken, zoals te verwachten valt geen verbazing. Afhankelijk van het feitelijke bedrag, heeft men hier uiteraard problemen mee. Bezien we het netto maandbedrag waarmee de beoogde groep moet rondkomen, dan kan men ook vraagtekens zetten bij het "realistisch gehalte" van de vraag "in hoeverre bent u bereid om te betalen voor uw opleiding"!

Het onderzoek geeft verder aan hoe het opleidingsniveau is. We plaatsen een aantal vraagtekens bij dit onderzoek gezien de geringe omvang van de steekproef. Zo wordt de groep vrouwen genoemd met een steekproefgrootte van n=9. Een onderverdeling met de groepen "geen", "basisonderwijs", "vbo/mavo" en "mbo/havo/vwo" heeft dan geen zin meer. We vinden dat de genoemde percentages in dit rapport dus in zekere zin misleidend kunnen zijn en memoreren de resultaten van het Sociaal Planbureau: de groep oudkomers (55+'ers) wordt gekenmerkt door het vrijwel ontbreken van vroeger genoten onderwijs.

We eindigen met het opsommen van de belangrijkste conclusies van het rapport waarbij we dan tevens enkele kanttekeningen plaatsen:

- De groep ouderen werklozen bestaat voornamelijk uit gehuwde mannen met een gemiddelde leeftijd van 47 (anno 2002), bijna de helft heeft geen opleiding gevolgd of alleen de basisschool. Daarnaast zijn er enkele hoger opgeleiden (18%). Van onze kant wordt opgemerkt dat deze conclusie vrij ongedifferentieerd is. Plaatsen we de conclusie tegen de conclusies van het Sociaal Planbureau, dan valt op dat we bijvoorbeeld rond de groep Marokkaanse vrouwen van 55+ volledig op het foute been worden gezet. Deze groep kenmerkt zich immers door het volstrekt ontbreken van onderwijs.

- De groep geïnterviewde oudkomers hebben een slechte beheersing van de Nederlandse taal. Bijna de helft van de groep heeft problemen met het voeren van een gesprek. Van onze kant merken we weer op dat ook deze conclusie ongedifferentieerd is. Als het gaat om de groep vrouwen van bijvoorbeeld 55+ dan valt op dat hier vrijwel niemand over enige beheersing van het Nederlands beschikt.

- Slechts eenderde van de respondenten heeft in het verleden een taalcursus gevolgd. Ook hier is de conclusie tamelijk ongedifferentieerd. In het rapport wordt overigens wel opgemerkt dat de conclusies in feite genuanceerder zouden moeten zijn. In onze ogen zijn de conclusies - wellicht eniger mate correct vanuit statistisch oogpunt bezien - toch gevaarlijk omdat de onderzochte groepen teveel gemengd zijn. Daardoor komen de echte problemen naar onze mening te weinig uit de verf.



terug naar begin



Kwalitatieve rapportage monitor oudkomers, resultaten eerste helft 2003 (bureau Significant)
In deze rapportage wordt allereerst ingegaan op wetten en regelgeving. Zo worden de verschillende bijdrageregelingen opgesomd en wel voor:
- sociale integratie en veiligheid (G25)
- inburgering oudkomers (G17)
- inburgering oudkomers 12 gemeenten (G12)
- aanvullende bijdrage inburgering oudkomers 54 gemeenten (G54)
- inburgering oudkomers (niet-G54 gemeenten)


Bij de indeling in programma's is een onderscheid gemaakt tussen:
- alfabetisering
- NT2 en arbeidsgerichte activiteiten
- NT2 en opvoeding/gezondheid
- NT2 en maatschappij-oriëntatie
- NT2 en sociale activering
- overig
We plaatsen hierbij direct de kanttekening dat er geen koppeling valt te ontdekken tussen specifieke doelgroepen en specifieke behoeftes. Bovendien kan men zich afvragen hoe strikt het onderscheid is tussen de genoemde categorieën. Het behoeft bijvoorbeeld weinig betoog dat het dikwijls lastig zal zijn om het onderscheid tussen "NT2 en maatschappij oriëntatie" en "NT2 en sociale activering" hard te maken.
Dat maakt de uitkomsten van de monitor echter niet minder interessant.


terug naar begin

We geven enkele conclusies van de monitor weer:
- veel programma's hebben een intensiteit van 5 - 14 uur per week
- er is meer variatie in de duur van de programma's. Programma's langer dan 1,5 jaar komen nauwelijks voor
- de meeste programma's hebben en duur van 6 - 12 maanden, maar er zijn ook veel programma's met een duur van minder dan 6 maanden
- het rapport geeft aan dat de organisatie rond taalvaardighedentraining nog dikwijls een probleem oplevert. Het gaat hierbij dikwijls om problemen rond de registratie.




terug naar begin

Conclusies G54 gemeenten
- 82% van die deelnemers is vanaf juni 2002 gestart
- vanaf 2000 zijn ca. 30.000 oudkomers met een inburgeringscursus gestart
- 25% van de starters is tussen de 40 en 49 jaar oud, 59% is jonger dan 40
- van de starters is meer dan een kwart uitgevallen


Ook hier plaatsen we een kanttekening. Het is duidelijk dat het rapport duidelijk gebaseerd is op "de grote getallen". Aan de andere kant kunnen we juist door die grote getallen niet meer zien wat er precies aan de hand is. Het feit dat van de starters die genoemd worden 59% jonger is dan 40, maakt dat veel uitkomsten in feite bepaald zullen zijn door deze relatief grote groep. En evenzo, dat de problemen van de groep 55+'ers in feite in de statistiek "ten onder gaat".
In het rapport wordt verder aangegeven dat vrijwel de helft van alle deelnemers in één van de G4 gemeenten woont.
Het rapport geeft verder aan dan 79% van de deelnemers vrouw is. Maar gezien het feit dat de totale groep wordt overheerst door de groep jonger dan 40 jaar werkt het beeld ten aanzien van de groep ouderen toch vertroebelend.




Rapport "Vrouwen in de inburgering" (E-quality, 2003, Sousa Notos, Sabine Kraus)
Met de komst van de commissie PAVEM o.l.v. Paul Rosenmöller en mede op grond van het feit dat Prinses Maxima in deze commissie zitting neemt, is er meer interesse voor de groep vrouwen ontstaan. Gezien de conclusies die
we in het voorafgaande hebben getrokken is het ook volkomen juist dat de overheid meer aandacht heeft voor de groep vrouwen.

In het onderzoek van E-quality wordt allereerst opgemerkt (citaat):
.... Een recent overzicht van de positie van vrouwen in de inburgering is er op dit moment niet....(einde citaat)

Allereerst start de nota met het benoemen van de wet (Wet Inburgering Nieuwkomers=WIN, 1998) en de Regeling Oudkomers. Deze laatste regeling geldt voor de 25 gemeenten van het grote stedenbeleid (G25), de 17 gemeenten met meer dan 7% etnische minderheden op een totale bevolking van meer dan 60.000 (G17) en de 12 gemeenten met meer dan 7% etnische minderheden op een totale bevolking van 18.000 (G12). Met een aanvullende regeling voor 54 gemeenten (G54).
Gemeenten zijn vanaf 1 juli 2002 verplicht een schriftelijke overeenkomst met een oudkomer die een inburgeringstraject gaat volgen te sluiten. Het gaat dan om gegevens als duur, begin- en eindtijd, enz.

In de nota wordt voorts kort ingegaan op de voornemens tot besluit:
- iedere nieuwkomer moet eerst in eigen land Nederlands op basisniveau leren alvorens te worden toegelaten;
- asielzoekers krijgen pas na het examen rond de inburgering een definitieve verblijfsstatus;
- het cursusaanbod wordt vrijgegeven en zal niet meer het alleenrecht zijn van de ROC's;
- het verplicht volgen van een inburgeringstraject ook voor oudkomers en wel op eigen kosten. Daarbij is wel sprake van vergoedingen.

terug naar begin

In het voorafgaande is al een schets gegeven van de specifieke groep oudkomers (55+, vanuit Turkije en Marokko) en er zijn vraagtekens geplaatst rond de implementering van dit traject.
Op pagina 28 van het rapport lezen we:
(citaat)

..... Sancties op uitkering voor oudkomers indien zij niet inburgeren
Op dit moment nemen meer vrouwen dan mannen deel aan de oudkomerstrajecten. Dit geldt zowel voor de opvoeders als voor de werklozen. De eventuele sancties zullen dus waarschijnlijk ook voor meer vrouwen dan mannen van toepassing zijn. Daar staat tegenover dat veel vrouwen kunnen profiteren van een goed inburgeringstraject. Het vergroot hun mogelijkheden voor maatschappelijke participatie en/of arbeidsdeelname. Daarbij zijn twee aandachtspunten van belang. Ten eerste het evenwicht tussen enerzijds de sanctiedreiging en anderzijds het cursusaanbod. Op dit moment laten de wachtlijsten voor oudkomerscursussen - met name in de Randstad - zien dat er meer animo dan aanbod is. Sancties zijn dus pas relevant (en redelijk) indien er voldoende aanbod is, geflankeerd door voldoende kinderopvang. Ten tweede is het voorkomen van irreële verwachtingen van belang. Het beginniveau van oudkomers verschilt sterk. Sommigen zijn niet of nauwelijks naar school geweest. Het resultaat van de cursus zal daarom bescheiden zijn. Het is dan ook relevant om per persoon na te gaan of een cursus ook leidt tot reële mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Zo niet, dan blijft het zinvol om een cursus te volgen, maar is een sanctie op de uitkering minder geïndiceerd...... (einde citaat)



De nota betreft zowel nieuw- als oudkomers. De nota geeft vervolgens percentages als het gaat om het aantal starters in de eerste helft van 2002 (in procenten, n=7300).
Omdat we vooral in de groep oudkomers geïnteresseerd zijn volgen hier enkele bevindingen rond deze groep: Het blijkt dat het om een grote groep vrouwen gaat waarvan het merendeel geen werk heeft. De groep bestaat voor bijna de helft uit Turken en Marokkanen en de groep ouder dan 40 jaar is ca. 35%. Helaas is deze groep niet verder gedifferentieerd, maar het laat zich raden dat de groep 55+ vrijwel in het geheel "buiten de boot valt".

Een belangrijke bevinding bij het project "Nederlands Thuis" is het belang van een goede organisatie gericht op de groep ouderen.


terug naar begin

In de nota leest men:

(citaat)
.... Gemeenten bereiken oudkomers via veel verschillende kanalen: basisonderwijs, de brede school, consultatiebureaus, zelforganisaties van minderheden, welzijnsinstellingen, voorlichtingsbijeenkomsten, huisbezoek op basis van adressenbestand, via de Sociale Dienst en Sociale Zaken, media, sleutelfiguren en intermediairs....... (einde citaat)

Als het gaat om de belangrijkste reden waarom men met een cursus stopt dan scoort "zwanger/zorg voor de familie" 63%. Daarna wordt werk (16,7) als voornaamste reden opgegeven. Als het gaat om de specifieke groep oudkomers, meldt het rapport dat hierover veel minder over bekend is. Het enige lijstje dat gepresenteerd wordt kent 9 verschillende invalshoeken maar met een steekproefgrootte van 36 zegt dat weinig.
Het rapport geeft ook aan dat er over het bereikte eindniveau en de doorgeleiding in feite maar weinig bekend is.

Aanbevelingen
Het (zeer goed leesbare) rapport eindigt met een aantal aanbevelingen. In het kader van onze specifieke interesse is het niet nodig om al die aanbevelingen over te nemen. Voor ons zijn de belangrijkste aanbevelingen:
- het belang van zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen kunnen een belangrijke rol spelen bij het bereiken van de vrouwelijke doelgroep;
- inburgering is gebaat bij een geïntegreerde aanpak die aansluit bij de levensloop van verschillende groepen (vrouwelijke) inburgeraars;
Daarnaast zijn er verschillende aanbevelingen rond:
- zwangerschap;
- kinderopvang;
- verbetering van het cursusaanbod.

Het is aardig om op te merken dat verschillende aanbevelingen ook het probleem van het bereiken van de doelgroep raken.
Het rapport eindigt tenslotte met een hoofdstuk getiteld "Mogelijke gevolgen voor vrouwen van aangekondigd inburgeringsbeleid".
Uiteraard staat men hier stil bij het probleem van vrouwen met slechts marginale inkomsten en het aanbod van de vrije markt....
(citaat).... In Trouw van 26 november 2003 vertellen de oprichters van het eerste Nederlandse commerciële cursusinstituut in Marokko dat zij voor 4000 euro een cursus Nederlands gaan aanbieden voor laag- en hoogopgeleiden. Ongeletterden kunnen niet bij dit instituut terecht:...( ) het is niet ons probleem. Wij gaan niet alfabetiseren.... (einde citaat)

In het rapport worst er op gewezen dat het niet behalen van het inburgeringsexamen in het buitenland vooral de groep vrouwen zal treffen. Het rapport maakt vervolgens met veel voorbeelden duidelijk dat bij een onzorgvuldig uitgewerkt inburgeringsbeleid wederom de groep vrouwen vooral getroffen zal worden. Wij kunnen die conclusie, mede gezien al eerder geciteerde onderzoeken, volledig beamen.
Het rapport geeft helaas weinig details over de groep oudkomers. Wederom kunnen wij vrezen dat het met deze groep (vooral Marokkaanse en Turkse vrouwen) zeer slecht gesteld is.



Onze conclusies
Op grond van deze "a-selecte steekproef uit onderzoek" kunnen toch een aantal belangrijke conclusies getrokken worden.
We zullen deze conclusies in het kort opsommen:
  • het meeste statische onderzoek maskeert de problematiek van met name de groep 55+'ers;
  • naar het zich laat aanzien, kent deze groep grote problemen rond inburgering (vrijwel geen taalbeheersing met alle gevolgen vandien, leven in slechte omstandigheden, een opvallend laag inkomen);
  • het gaat vaak om alfabetisering en zeker voor commerciële instellingen is die groep niet interessant;
  • er is weinig bekend over de specifieke didactische problemen bij deze groep (in de genoemde onderzoeken wordt daar in feite niet op ingegaan) terwijl het zeker is dat er zeer veel specifieke didactische problemen zijn;
  • gezien het voorafgaande is het duidelijk dat het vrijgeven van cursussen door de overheid voor genoemde groepen tot ongewenste effecten zal leiden. Steeds meer zullen de commerciële instellingen zich richten op "eenvoudige cursussen voor aantrekkelijke doelgroepen". De ROC's zullen uit lijfsbehoud met deze commerciële instellingen gaan concurreren. Het is dus de vraag of de overheid een uitzondering moet maken voor onderwijs aan bepaalde doelgroepen. Het zou dan met name om de kwetsbare groepen (ouderen en met name vrouwen) moeten gaan;
  • het belang van een cursus om een barrière te doorbreken lijkt in die zin triviaal;
  • een drempelcursus zal altijd beperkt van omvang moeten zijn en bezien we het pallet van aangeboden opleidingen dan is een half jaar voor zo'n drempelcursus stellig een maximum;
  • in de komende jaren zullen de genoemde groepen meer met gezondheidszorg te maken krijgen;
  • het lijkt dus tevens zinvol om hier speciale modules voor te ontwikkelen;
  • de inkomenspositie van de kwetsbare groep is slecht;
  • dat geeft extra te denken als het om "sancties vanuit de overheid" gaat;
  • deze groepen kan men het beste bereiken via allerlei instanties en de gemeente is de instantie bij uitstek die meer klaarheid zou kunnen brengen hoe men met al die verschillende "clubs" zou moeten omgaan;
  • maar ondanks het feit dat we weten via welke kanalen we de groepen zouden kunnen bereiken is er meer onderzoek nodig hoe we de groepen moeten bereiken. Het statisch onderzoek is niet fijn genoeg omdat te grote groepen in ogenschouw worden genomen en daarmee detailinformatie verloren gaat;
  • er is nieuw beleid nodig om allerlei "tussengroepen (verenigingen, buurtscholen, enz.)" te kunnen inschatten op hun waarde bij inburgering. De organisatie rond inburgering is in feite een kritische succesfactor;
  • de groep oudere vrouwen is het meest kwetsbaar;
  • voor de inburgering in het buitenland zullen speciale maatregelen genomen moeten worden als het gaat om de groep vrouwen met geen of vrijwel geen scholing;
  • het is nog volstrekt onduidelijk hoe die aanpak zou kunnen zijn;
  • de inburgering in het buitenland zal veelal gezinshereniging betreffen van Marokaanse en Turkse vrouwen;
  • beleid in dezen zal zorgvuldig moeten zijn omdat er anders gesproken kan worden van "onethisch overheidsbeleid".



terug naar begin


Cursussen
Italiaans proef HTML

Frans HTML

Idioom 1 Flash

Een nieuwe aanpak

Het gaat vooral om de groep vrouwen

hoe kunnen we deze groep bereiken?


veel aandacht
voor alledaagse situaties

  © Albert Sickler bv - All rights reserved.